Accreditatiekader hbo-wo

Ontwikkeling stelsel

Het stelsel van overheidsaccreditatie is in 2002 ingevoerd voor het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo) – tegelijk met de introductie van het bachelor-master stelsel (BaMa) en is verankerd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). In de loop der jaren is het oorspronkelijke stelsel  (hier aangeduid als stelsel 1.0) meerder keren aangepast. De wijzigingen zijn voornamelijk gericht op het verminderen van de administratieve last en het versterken van eigenaarschap bij docenten en studenten. In 2011 vond een fundamentele wijziging plaats (hier aangeduid als stelsel 2.0) door o.a. de introductie van een herstelperiode en de combinatie van een instellingstoets en de beperkte opleidingsbeoordeling. Een volgende fundamentele wijziging zou de instellingsaccreditatie (stelsel 3.0) kunnen zijn (zoals deze al in Vlaanderen bestaat): bij geaccrediteerde instellingen zijn dan alle opleidingen zonder afzonderlijke toets geaccrediteerd.

  • Accreditatiestelsel 1.0 (m.i.v. 2002). Het beoordelingskader voor een opleiding bestaat uit zes onderwerpen onderverdeeld in 21 facetten. De zes onderwerpen zijn: Doelstellingen opleiding, Programma, Inzet van personeel, Voorzieningen, Interne kwaliteitszorg en Resultaten. Het niet slagen voor accreditatie betekent in feite het beëindigen van de opleiding.
  • Accreditatiestelsel 2.0 (m.i.v. 2011). Uitgangspunten: verminderde administratieve last, meer nadruk op inhoudelijke onderwijskwaliteit en een kwaliteitscultuur. Het wordt mogelijk bij onvoldoende beoordelingen een herstelperiode toe te kennen. Introductie van de Instellingstoets kwaliteitszorg onderwijs die een Beperkte opleidingsbeoordeling op slechts drie standaarden mogelijk maakt. Instellingen kunnen zelf kiezen of ze wel of niet willen opgaan voor de instellingstoets. Zonder het ‘keurmerk’ van de instellingstoets geldt voor opleidingen de Uitgebreide opleidingsbeoordeling met zestien standaarden. Bij de opleidingsbeoordeling wordt een steekproef van eindwerken geïntroduceerd.
  • Accreditatiestelsel 2.0 update (m.i.v. 2014). In het Beoordelingskader versie 2014 zijn aanpassingen doorgevoerd, mede naar aanleiding van de in 2013 vastgestelde wetten Kwaliteit in verscheidenheid en Versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs. Zie ook de toelichting op de wijzigingen in de WHW. Standaard 3 van de Beperkte opleidingsbeoordeling wordt gesplitst in Standaard 3 (toetssysteem) en Standaard 4 (gerealiseerde eindkwalificaties). Het aantal standaarden bij de Uitgebreide opleidingsbeoordeling wordt teruggebracht van zestien naar elf. Tevens wordt de systematiek van visitatiegroepen (groepsgewijs visiteren) ingevoerd en start een traject voor harmonisering van de titulatuur in het hbo.
  • Accreditatiestelsel 2.0 update (m.i.v. 2017). Uitgangspunten voor het Beoordelingskader versie 2016 zijn (opnieuw) lastenverlichting, meer eigenaarschap bij medewerkers en studenten en verdiend vertrouwen. De onderwijsvisie van de instelling staat meer centraal. Bij de instellingstoets is de aparte standaard voor Organisatie- en beslissingsstructuur verwerkt in de overige standaarden. Bij de opleidingsbeoordeling wordt de rol van Opleidingscommissies versterkt, in lijn met de Wet Versterking bestuurskracht.  In het accreditatieproces van opleidingen zijn verantwoorden en ontwikkelen meer gescheiden. Zie verder Belangrijke verschillen beoordelingskaders 2014-2016.
  • Accreditatiestelsel 2.0 update (m.i.v. 2019). Het Beoordelingskader versie 2018 is voor een belangrijk deel de uitkomst van de Wet accreditatie op maat en kan gezien worden als het sluitstuk van de vernieuwing van het stelsel met een (lopende) tweede ronde van de instellingstoets. De standaarden waaraan opleidingen en instellingen moeten voldoen zijn vrijwel geheel gelijk gebleven. De belangrijkste veranderingen zijn het loslaten van het gedifferentieerde oordeel, accreditatie voor onbepaalde tijd met een zesjaarlijkse beoordeling, striktere regels voor de onafhankelijkheid en deskundigheid van panelleden, eisen bij anderstalig onderwijs en een anderstalige opleidingsnaam. Zie verder Top 10 vernieuwingen Kader 2018.

Beoordelingskader 2018

Ook het Beoordelingskader 2018 heeft uiteraard een wettelijke basis in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). In Nederland en Vlaanderen waarborgt de Nederlands-Vlaamse Accreditatie-organisatie (NVAO) de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs. Het kader is afgeleid van de European Standards and Guidelines (ESG) van de European Association for Quality Assurance in Higher Education (ENQA). Het stelsel gaat – vooralsnog – uit van accreditatie van opleidingen, niet van instellingen (wat bijvoorbeeld in Vlaanderen wel het geval is). Instellingen kunnen kiezen voor een instellingstoets kwaliteitszorg. Wanneer zij daarvoor zijn geslaagd, kunnen (nieuwe) opleidingen met een beperkt beoordelingskader volstaan, waarbij vooral de inhoud van het onderwijs centraal staat. Geaccrediteerde opleidingen zijn ingeschreven in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO). Er zijn specifieke kaders voor:

  • Instellingstoets kwaliteitszorg (ook aangeduid als ITK).
  • Beoordeling bestaande opleiding – beperkt kader (voorheen aangeduid als BOB).
  • Beoordeling bestaande opleiding – uitgebreid kader (voorheen aangeduid als UOB).
  • Toets nieuwe opleiding – beperkt of uitgebreid kader (TNO).

Voor de beoordeling van (nieuwe) opleidingen bevat het kader één set standaarden voor alle wetenschappelijke en hoger beroepsopleidingen op alle niveaus  (Ad = associate degree, bachelor, master). Hieronder worden de kaders voor de instellingstoets en de beperkte beoordeling van een bestaande opleiding samengevat. Aanbevolen wordt altijd de feitelijke tekst van het beoordelingskader te raadplegen. Het kader voor de uitgebreide opleidingsbeoordeling kan ook informatief zijn om betekenis te geven aan de eisen van de instellingstoets en de beperkte opleidingsbeoordeling.

Instellingstoets kwaliteitszorg (ITK)

De centrale vraag bij de instellingstoets is: verzekert de kwaliteitszorg de realisatie van de visie op goed onderwijs en werkt de instelling duurzaam aan ontwikkeling en verbetering? Met ‘kwaliteitszorg’ wordt zowel het systeem van interne kwaliteitszorg als de kwaliteitscultuur bedoeld. Het kader spreekt van een reflectieve cyclus die bij de instelling zichtbaar moet zijn. Een cyclus die bijdraagt aan kwaliteitsborging (beheersen van risico’s) en duurzame kwaliteitsontwikkeling. Bij deze cyclus zijn docenten, studenten en externe stakeholders betrokken. De visie op goed onderwijs wordt gedragen door docenten en studenten en ontwikkelt zich in samenspraak met het maatschappelijk veld. Bij verlenging van een instellingstoets wordt duurzame en systematische verankering van de interne kwaliteitszorg in de achterliggende jaren in de beoordeling betrokken. Het Beoordelingskader 2018 geeft vier standaarden voor de instellingstoets:

Visie en beleid
Standaard 1
De instelling beschikt over een breed gedragen onderwijsvisie en een daarbij aansluitend beleid gericht op de interne kwaliteitszorg van haar onderwijs.
> Gedeelde visie op goed onderwijs binnen de instelling.
> De visie is studentgericht (‘student centred learning’, conform ESG).
> Gedragen door docenten en studenten.
> Ontwikkelen in periodieke samenspraak met externe stakeholders.
> Vertaald naar uitgangspunten voor kwaliteitszorg.
Uitvoering
Standaard 2
De instelling verwezenlijkt de onderwijsvisie op doeltreffende wijze, blijkend uit passende beleidsacties en -processen met name op het gebied van personeel, toetsing, voorzieningen, en studenten met een functiebeperking.
> Onderwijsvisie is vertaald naar concrete beleidsacties en -processen
> Er zijn processen voor ontwerp, erkenning en borging van kwaliteit opleidingen (conform ESG).
> Werking en toepassing van deze processen is aantoonbaar op basis van track record.
> Studenten en medewerkers zijn mede-eigenaar van beleid en dragen vanuit gezamenlijke visie bij aan realisatie van beleid en beoogde kwaliteitscultuur.
> Uitvoering is in overeenstemming met visie: personeel, toetsing en voorzieningen bevorderen de toegankelijkheid en studeerbaarheid van het onderwijs.
> Dit geldt specifiek ook voor studenten met een functiebeperking (conform de WHW).
Evaluatie en monitoring
Standaard 3
De instelling evalueert stelselmatig of zij de beoogde beleidsdoelstellingen met betrekking tot onderwijskwaliteit realiseert. Daarbij betrekt zij relevante stakeholders.
> Organiseren van effectieve feedback die realisatie beleid ondersteunt.
> Passende evaluatie- en meetactiviteiten die zijn verankerd in de instelling (uniformiteit is niet noodzakelijk).
> Inzichtelijke informatie voor stellen van kwaliteitsdoelen.
> Risico’s signaleren, rapporteren en opvolgen.
> Systematische reflectie op effectiviteit beleidsuitvoering in alle organisatielagen en medezeggenschap.
Ontwikkeling
Standaard 4
De instelling is gericht op ontwikkeling en werkt systematisch aan de verbetering van haar onderwijs.
> Feedback en reflectie op beleidsrealisatie leiden tot doelgerichte maatregelen voor versterken, verbeteren of bijstellen uitvoering.
> Opvolgen verbetermaatregelen is verankerd in organisatiestructuur.
> Ontwikkelbeleid stimuleert alle betrokkenen bij te dragen aan innovatie en kwaliteitsverbetering.
> Interne en externe stakeholders zijn geïnformeerd over de ontwikkelingen naar aanleiding van evaluatieresultaten.
> Doorlopende verbetering in aansluiting op veranderende) omstandigheden en verwachtingen studenten en werkgevers.

Het beoordelingsproces wordt uitgevoerd door de NVAO en een door haar ingestelde commissie. Het onderzoek is gebaseerd op een documentenonderzoek en een visitatie (auditgesprekken op locatie). Het proces verloopt als volgt:

  • De onderwijsinstelling dient een aanvraag in voor het verkrijgen of verlengen van het keurmerk van de instellingstoets. Bij verlenging dient de aanvraag ten minste één jaar voor het vervallen plaats te vinden. Het is ook mogelijk als sector bestuurlijke afspraken te maken over de procesgang.
  • Voorafgaand aan het bestuurlijk overleg ontvangt de instelling een accreditatieportret dat een overzicht geeft van de uitkomsten van de accreditaties en toetsen nieuwe opleiding over de afgelopen jaren.
  • De NVAO neem initiatief voor een bestuurlijk overleg met de instelling. Doel van het overleg is kennismaking en afstemming op de specifieke wensen en omstandigheden van de instelling. Bijvoorbeeld over: organisatiestructuur, profilering, (internationale) samenstelling panel, voertaal, tijdpad, vorm en omvang van zelfevaluatierapport, specifieke aspecten (bijzonder kenmerk) waar de instelling op wil worden beoordeeld, locatiebezoeken, een eventuele combinatie van verkennend en verdiepend bezoek, beschikbaar te stellen materiaal. Bij het bestuurlijk overleg worden studenten en docenten uit medezeggenschapsorganen betrokken.
  • Na het bestuurlijk overleg benoemt de NVAO het panel dat de instellingstoets uitvoert. Het panel zal een peer review uitvoeren, in die zin dat collegiale consultatie/toetsing centraal staan. De attitude en werkwijze van het panel passen bij dit uitgangspunt. Het panel bestaat, na overleg met de instelling uit maximaal vijf leden, inclusief een studentlid en wordt ondersteund door een secretaris en een procescoördinator van de NVAO. Een panellid met bestuurlijke deskundigheid treedt op als voorzitter.
  • De instelling schrijft in maximaal 50 pagina’s een zelfevaluatierapport waarin de sterke en de zwakke punten van de instelling staan beschreven. Het zelfevaluatierapport wordt ter advisering voorgelegd aan het medezeggenschapsorgaan van de instelling en het advies maakt onderdeel uit van het document. De instelling kiest zelf het overige (bestaande) materiaal dat voorafgaand aan het locatiebezoek voor het panel beschikbaar is.
  • Het panel voert een een verkennend bezoek uit om zich een beeld te vormen van de instelling. Het panel spreekt onder meer met de raad van toezicht, het instellingsbestuur, het onderwijsmanagement, functionarissen kwaliteitszorg, andere staffunctionarissen, docenten en studenten uit medezeggenschapsorganen en vertegenwoordigers uit het maatschappelijk veld. Er wordt ook een open spreekuur gehouden.
  • Ten minste vier weken later legt het panel een verdiepend bezoek af voor het uitvoeren van minimaal twee audittrails. Het kan gaan om verticale audittrails (breed aandachtsgebied bij enkele opleidingen) en/of horizontale audittrails (smal aandachtsgebied bij meerdere opleidingen). Eén verticale trail betreft een verdiepend onderzoek naar de effectiviteit van de kwaliteitszorg en het risicomanagement voor opleidingen. Het panel wil met de trails een duidelijk beeld krijgen hoe de kwaliteitszorg binnen de instelling feitelijk werkt.
  • Het panel stelt vervolgens een adviesrapport op dat na consultatie van de instelling op feitelijke onjuistheden wordt voorgelegd aan de NVAO. Het panel beoordeelt elk van de vier standaarden en komt tot een eindoordeelpositief wanneer aan alle standaarden is voldaan,  positief onder voorwaarden wanneer aan ten hoogste twee standaarden ten dele wordt voldaan, en negatief wanneer voor een of meer standaarden geldt ‘voldoet niet’ of bij drie of meer standaarden met ‘voldoet ten dele’.
  • Bij het eindoordeel positief onder voorwaarden geeft het panel concreet aan wat de voorwaarden zijn om te voldoen aan de standaarden. Het panel adviseert alleen tot het stellen van voorwaarden wanneer realisatie binnen maximaal twee jaar haalbaar is. De NVAO besluit over het stellen van voorwaarden. Wanneer het stellen van voorwaarden niet realistisch en haalbaar is, is het eindoordeel negatief.
  • De NVAO komt op basis van het adviesrapport tot een eigenstandig oordeel en een besluit. Bij het besluit positief onder voorwaarde(n) stelt de NVAO een of meer voorwaarden en geeft de termijn aan waarbinnen daarover moet worden gerapporteerd en wanneer de herbeoordeling plaatsvindt. De NVAO kan panelleden of vertegenwoordigers van de instelling uitnodigen. Instellingen kunnen zelf ook aangeven dat zij behoefte hebben aan een toelichting. Instellingen die de instellingstoets met voorwaardelijk positief gevolg hebben doorlopen, kunnen tijdens de geldigheidsduur gewoon de beperkte opleidingsbeoordeling toepassen.
  • Na het besluit volgt in alle gevallen publicatie op de website van de NVAO, ook wanneer het besluit negatief is. De erkenning van de instellingstoets is zes jaar geldig en heeft als aanduiding ‘Erkenning ITK‘. Wanneer er voorwaarden zijn gesteld, dient daar wel binnen de gestelde termijn aan worden voldaan. De ‘voorwaardelijke’ status maakt deel uit van de periode van zes jaar. N.B. De instelling kan gedurende het gehele beoordelingstraject de aanvraag intrekken, tot aan het moment dat de NVAO een definitief besluit heeft genomen en het besluit is gepubliceerd. Als de instelling de aanvraag intrekt voor aanbieding van het adviesrapport door de panelvoorzitter aan de NVAO, zal de NVAO het adviesrapport niet publiceren.

Beoordeling bestaande opleiding – beperkt kader

Het kader voor de beperkte beoordeling van een bestaande opleiding heeft betrekking op bekostigde en onbekostigde opleidingen in het wetenschappelijke onderwijs (wo), opleidingen in het hoger beroepsonderwijs (hbo) op bachelor- en masterniveau en associate-degreeprogramma’s (Ad-programma’s). Het beperkte kader is van toepassing wanneer de instelling beschikt over een positief of een voorwaardelijk positief besluit instellingstoets kwaliteitszorg. Bij het beoordelen van bestaande opleidingen staat de gerealiseerde kwaliteit centraal. De beoordeling komt tot stand op basis van een discussie met ‘peers’ over de inhoud en kwaliteit van de opleiding.  Met ingang van 2015 vindt de beoordeling plaats binnen visitatiegroepen die bestaan uit vergelijkbare opleidingen van verschillende instellingen.

Het Beoordelingskader 2018 geeft vier standaarden voor de beperkte opleidingsbeoordeling. Opmerkelijke wijzigingen ten opzichte van 2016 zijn hieronder aangeduid met een @ (klik door voor een overzicht).

Beoogde
leeresultaten

Standaard 1
De beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.
> Aantoonbaar niveau (associate degree, bachelor, master) conform het Nederlands kwalificatieraamwerk (zie toelichting niveaus NLQF) en de oriëntatie (hbo of wo).
> Aansluiting bij actuele eisen uit het regionale, het nationale en het internationale perspectief vanuit beroepenveld en vakgebied.
> Voor zover van toepassing conform relevante wet- en regelgeving.
Onderwijs-
leeromgeving
Standaard 2
Het programma, de onderwijsleeromgeving en de kwaliteit van het docententeam maken het voor de instromende studenten mogelijk de beoogde leerresultaten te realiseren.
> De beoogde leerresultaten zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma.
> Hierbij wordt rekening gehouden met de diversiteit van de toegelaten studenten.
> De docenten zijn zowel inhoudelijk als didactisch voldoende deskundig om de opleiding te verzorgen en geven begeleiding.
> @Wanneer het onderwijs in een andere taal dan het Nederlands wordt verzorgd, motiveert de opleiding deze keuze. Dit geldt ook wanneer de opleiding een anderstalige opleidingsnaam hanteert. Docenten dienen te beschikken over voldoende beheersing van de andere taal.
> De onderwijsleeromgeving bevordert dat studenten op actieve wijze deelnemen aan de vormgeving van het eigen leerproces (student-centred).
> Voorzieningen worden niet beoordeeld (dat gebeurt in de ITK), tenzij deze specifiek voor de betreffende opleiding zijn getroffen.
Toetsen
Standaard 3
De opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing.
> De beoordeling is valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk.
> De eisen zijn helder voor studenten.
> De kwaliteit van de tentaminering en examinering wordt voldoende gewaarborgd en voldoet aan de wettelijke deugdelijkheidsvereisten.
> De toetsen ondersteunen het eigen leerproces van de student.
Gerealiseerde
leeresultaten
Standaard 4
De opleiding toont aan dat de beoogde leerresultaten zijn gerealiseerd.
> Blijkt uit uitkomsten van toetsen, eindwerken en hoe afgestudeerden in de praktijk of in een vervolgopleiding functioneren.
> Beschrijven hoe de realisatie van het niveau wordt getoetst, bijvoorbeeld aan de hand van diverse producten of proeven, het ‘eindwerk’.
> Een niet limitatieve opsomming van ‘eindwerken: de eindscriptie, een portfolio, een beroepsproduct, een (reeks van) tentamen(s), een artikel of een artistieke prestatie of een combinatie hiervan.
> Het panel beoordeelt voorafgaand aan het locatiebezoek via een representatieve steekproef ten minste 15 eindwerken van de opleiding (zie ook hierna).

De beoordeling wordt gebaseerd op een documentenonderzoek en een visitatie. Het proces verloopt als volgt:

  • Bestaande opleidingen zijn op voordracht van de instelling door de NVAO ingedeeld in visitatiegroepen* waarvoor een inleverdatum van de accreditatieaanvraag is vastgesteld. De NVAO handelt aanvragen en wijzigingen eenmaal per jaar af (aprilronde). Opleidingen kunnen als sector voorafgaand aan het accreditatieproces met de NVAO spreken over bijvoorbeeld vergelijkend beoordelen in de visitatiegroep, het accreditatiekader, de inhoudelijke thematiek en de werkafspraken om het accreditatieproces goed te laten verlopen.
  • Instellingen die voor de betreffende opleiding een visitatiegroep vormen, stellen een onafhankelijk panel samen en dragen dit ter instemming voor aan de NVAO.  Het panel bestaat uit ten minste vier leden waaronder in ieder geval een student uit het hoger onderwijs en wordt ondersteund door een door de NVAO gecertificeerde secretaris die geen lid is van het panel. Het beoordelingskader geeft specifieke @richtlijnen voor de deskundigheid van panelleden en hun onafhankelijkheid (o.a. geen zakelijke belangen in evaluatiebureau, inclusief de voorzitter). Tevens zijn zij ‘peers’ die een inhoudelijke en deskundig gesprek kunnen voeren met de instelling of opleiding over de onderwijskwaliteit en keuzes, richtingen en oplossingen.
  • Instellingen kunnen ook een van de bestaande evaluatiebureaus opdracht geven om het panel samen te stellen. In dat geval moet het panel eveneens ter instemming worden voorgedragen aan de NVAO. Wanneer de voordracht gebeurt door het evaluatiebureau, dient het daartoe schriftelijk gemachtigd te zijn door de instelling.
  • De opleiding schrijft een zelfevaluatierapport van maximaal 15 pagina’s waarin de sterke en zwakke punten van de opleiding worden beschreven. De standaarden uit het beoordelingskader zijn daarin herleidbaar, bijvoorbeeld door een toelichting. De zelfevaluatie is in principe vormvrij. Met het panel kunnen afspraken worden gemaakt over de vorm en inhoud. Er kan ook gebruik worden gemaakt van bestaande evaluatieve documenten. Onderdeel van de zelfevaluatie is een eigen hoofdstuk van studenten en/of advies van de opleidingscommissie. De opleiding voegt bij de zelfevaluatie een beperkt aantal bijlagen over de opzet of inhoud van het programma, de samenstelling van het docententeam en de onderwijs- en examenregeling.
  • Om de gerealiseerde leerresultaten te beoordelen, selecteert en bestudeert het panel voorafgaand aan het locatiebezoek @recente eindwerken van ten minste 15 afgestudeerden van de opleiding. De selectie kent een evenwichtige verdeling over voldoende, goede en zeer goede eindwerken zodat  het panel hiermee een onderbouwd oordeel kan vellen. De selectie is voldoende dekkend ten aanzien van varianten, locaties, specialisaties, afstudeertrajecten en programma’s. Hiervoor kan het panel besluiten het aantal te beoordelen eindwerken op te hogen. In het geval een panellid de beoordeling van een eindwerk in twijfel trekt, bestudeert ten minste één ander panellid ook dit eindwerk. Het panel kan meer eindwerken opvragen om een beter beeld te krijgen.
  • Opleidingen in het hoger beroepsonderwijs die willen overgaan tot een andere toevoeging aan de graad* (titulatuur) dienen dat te motiveren. De NVAO zal de voorgestelde toevoeging bij het behandelen van de aanvraag toetsen op de internationale herkenbaarheid aan de hand van een referentielijst.
  • Het locatiebezoek bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft de beoordeling voor accreditatie en verbetering. De opleiding doet een programmavoorstel voor het locatiebezoek, inclusief gespreksvolgorde, gesprekstypen, personen en duur. In de regel zijn vertegenwoordigd: opleidingsmanagement, examencommissie, opleidingscommissie, docenten, studenten, alumni, vertegenwoordigers van het beroepenveld. Het tweede deel van het bezoek is een ontwikkelgesprek met het panel waarin mogelijke verbeteringen vanuit een ontwikkelperspectief aan de orde komen.
  • Het panel stelt een visitatierapport op voor de NVAO. Hierin staan de bevindingen, de toegekende oordelen en de sterke en verbeterpunten. Het visitatierapport ligt ten grondslag aan het accreditatiebesluit van de NVAO. De NVAO publiceert het accreditatiebesluit en het visitatierapport. @Het panel legt de uitkomsten van het ontwikkelgesprek vast en stelt een afzonderlijk document op dat geen deel uit maakt van de accreditatieaanvraag, maar wel openbaar moet worden gemaakt.
  • @Het eindoordeel voor accreditatie in het visitatierapport is positief wanneer alle vier de standaarden voldoen, positief onder voorwaarden wanneer aan standaard 1 is voldaan en maximaal twee standaarden ten dele voldoen (waarbij het panel het opleggen van voorwaarden adviseert), en negatief wanneer een of meer standaarden niet voldoen of standaard 1 ten dele voldoet. Het eerder gebruikelijke gedifferentieerde oordeel (onvoldoende, voldoende, goed, excellent) is komen te vervallen.
  • Het panel kan besluiten tot een eindoordeel Positief onder voorwaarden wanneer de opleiding de noodzakelijke verbeteringen binnen twee jaar kan uitvoeren en aantonen. Het panel formuleert concreet welke voorwaarden moeten worden opgelegd. Acht het panel realisatie van de noodzakelijke verbeteringen in twee jaar niet haalbaar dan wordt het eindoordeel negatief. De NVAO besluit uiteindelijk over het opleggen van voorwaarden aan de opleiding.
  • De instelling benadert de NVAO uiterlijk op de inleverdatum met het visitatierapport. @Wanneer de uitkomst positief is, behoudt de opleiding haar accreditatie. Bij een negatief oordeel vervalt de accreditatie. Bij een eindoordeel positief onder voorwaarden voegt de instelling een verbeterplan en het advies van de opleidingscommissie toe. Binnen de gestelde termijn wordt daarna ook het rapport van een herbeoordeling toegezonden. Op basis daarvan neemt de NVAO een besluit over het behouden van de accreditatie.
  • De NVAO publiceert het visitatierapport en het besluit op de website.  @De accreditatie geldt in principe voor onbepaalde tijd. Binnen zes dient een nieuw visitatierapport te worden toegezonden. De jaren van een ‘voorwaardelijke’ status maken deel uit van de periode van zes jaar. N.B. De instelling kan gedurende het gehele beoordelingstraject de aanvraag intrekken, tot aan het moment dat de NVAO een definitief besluit heeft genomen en het besluit is gepubliceerd.

* Het werken met visitatiegroepen wordt ook wel aangeduid als ‘clustergewijs’ accrediteren. Feitelijk losstaand van clustergewijze accreditatie en visitatiegroepen is het begrip ‘clusters’ of ‘clusterindeling’. De indeling in clusters hangt namelijk samen met de invoering van nieuwe titulatuur in het hbo per 1 januari 2014, met name de graadtoevoeging “of Arts” en “of Science” [zie ook Weblog Hobéon 30-01-2014 en Weblog Hobéon 05-03-2015]. De nieuwe graadtoevoeging wordt aangevraagd bij accreditatie en wordt geëffectueerd wanneer 70% van de opleidingen in het cluster de nieuwe graadtoevoeging voert. De regeling geldt niet met terugwerkende kracht, met als uitzondering de afgestudeerde die een diploma ontvangt in het studiejaar waarin de titel wordt aangepast: hij/zij kan de instelling vragen het oude diploma in te wisselen voor een nieuw diploma/getuigschrift met de nieuwe titel of de examencommissie verzoeken nog niet tot uitreiking van het diploma/getuigschrift over te gaan. Zie ook: NVAO-site.

 
Reacties

Nog geen reacties.