Onderzoeksontwerp

Onderzoeken is het verzamelen van gegevens om een bijdrage te leveren aan de oplossing van een bepaald vraagstuk. We spreken van wetenschappelijk onderzoek wanneer het onderzoek zorgvuldig, systematisch en verifieerbaar wordt uitgevoerd. We beperken we ons hier tot sociaalwetenschappelijk onderzoek. Dat heeft betrekking op onderzoek naar meningen, houdingen en gedrag van mensen. Onderzoek doen is vooral een kwestie van beperken om op het laatst weer te kunnen verbreden. Daarvoor maakt een onderzoeker bepaalde keuzes. Het benoemen van die keuzes is het onderzoeksontwerp, ook wel onderzoeksdesign genoemd.

 

Onderzoeksontwerp

 Stappen bij onderzoek

1. Start van elk onderzoek is een probleemstelling: wat wil iemand weten?
2. Daarna volgt een verkenning, waarin de onderzoeker de probleemstelling in een breder perspectief plaatst.
3. Op basis van de probleemstelling en de verkenning maakt de onderzoeker een beperking tot specifieke onderzoeksvragen.
4. Er wordt een keuze gemaakt voor een bepaalde onderzoeksgroep.
5. Op basis van het bovenstaande wordt een keuze gemaakt voor een onderzoekstrategie.
6. Pas dan vindt het daadwerkelijk verzamelen van gegevens plaats.
7. In de analyse interpreteert de onderzoeker de verzamelde gegevens. Ook hier vindt vaak een beperking plaats; denk alleen maar aan het berekenen van gemiddelden, wat in feite een samenvatting is van een grotere hoeveelheid gegevens is. De conclusies zijn het sluitstuk in de rapportage. Hier verbreedt het onderzoek zich weer tot de reikwijdte van de oorspronkelijke probleemstelling. Des te beter het onderzoeksontwerp, des te bruikbaarder zijn deze conclusies.

Hieronder worden de diverse stappen nader toegelicht. In de praktijk lopen de stappen door elkaar om tot een goed uitgebalanceerd onderzoeksontwerp te komen. Een aantal onderwerpen wordt op deze website ook nader toegelicht (raadpleeg het thema Onderzoek).

1. Probleemstelling

  • Wat is de aanleiding tot het onderzoek?
  • Wat zijn de verwachtingen over het resultaat?
  • Waar gaat het inhoudelijk over?
  • Over welke personen of groepen gaat het?
  • Is er een schatting van het beschikbare budget en de tijdsplanning?
  • Wat is de aard van de probleemstelling? Toetsend, bijvoorbeeld: Is 80% van de klanten tevreden? Verkennend, zoals: Waarover zijn klanten tevreden of ontevreden? Diagnostisch, bijvoorbeeld: Waarom zijn klanten tevreden of ontevreden?
  • Samengevat: wat wil iemand waarover weten om er wat mee te kunnen doen, wanneer moet het klaar zijn, en wat mag het kosten?

 2. Verkenning

  •  Wat is er te vinden in de literatuur? Welke verbanden worden daar gelegd?
  • Bij onderzoek in een organisatieomgeving: zijn er strategie- of beleidsnotities die houvast geven? Hoe groot is de onderzoekgroep?
  • Hoe is deze samengesteld? Welke actuele kwesties spelen er? Is er in die groep recentelijk nog ander onderzoek uitgevoerd?
  • Wat is er al aan bestaand of lopend onderzoek over hetzelfde onderwerp en/of een vergelijkbare onderzoekgroep?
  • Bedenk wie er worden betrokken bij de uitvoering van het onderzoek. Zorg voor zoveel mogelijk overleg tijdens alle fasen van het onderzoek. Denk daarbij aan de opdrachtgever, maar ook bijvoorbeeld aan degene die de gegevens gaat verwerken en analyseren.

 3. Onderzoeksvragen

  •  U start met de probleemstelling: de hoofdvraag van het onderzoek. Bijvoorbeeld: “Welke woonomgeving is gezonder: het platteland of de stad?”
  • Uit het (theoretische) vooronderzoek leidt u een conceptueel model af. U brengt bijvoorbeeld in kaart welke factoren van invloed zijn op iemands gezondheid. Uit de hoofdvraag en het conceptueel model leidt u onderzoeksvragen af. Bijvoorbeeld: “Leven mensen op het platteland langer dan in de stad?”
  • Begrippen als ‘woonomgeving’ en ‘gezond’ en noemen we variabelen. Deze variabelen hebben een operationalisering nodig. ‘Gezond’ is bijvoorbeeld geoperationaliseerd als ‘de leeftijd bij overlijden’. Voor een adequate operationalisering zijn de resultaten van de verkenning onontbeerlijk.
  • Let op: de onderzoeksvragen zijn niet hetzelfde als enquêtevragen in vragenlijsten; enquêtevragen leidt u af uit de onderzoeksvragen.

Het conceptueel model laat zien welk verband u veronderstelt tussen de (geoperationaliseerde) onafhankelijke en afhankelijke variabelen. Zowel het conceptueel model als de operationalisatie van variabelen brengen beperkingen van de (veronderstelde) werkelijkheid met zich mee. U dient steeds na te gaan of de validiteit nog voldoende is gewaarborgd: meet u wat u daadwerkelijk wilt meten. ‘Politieke voorkeur’ kan worden geoperationaliseerd als ‘lidmaatschap van de politieke partij x, y of z’, maar ook als ‘stemgedrag bij de laatste verkiezingen’. Wat levert het meest valide beeld?

4. Onderzoeksgroep

Bij het kiezen van de onderzoeksgroep bepaalt u op welke personen of groepen u de onderzoeksvragen gaat toepassen. U kunt kiezen voor een steekproef wanneer u niet de gehele onderzoeksgroep wilt benaderen. De keuze van de onderzoeksgroep hangt nauw samen met de onderzoeksvraag en onderzoekstrategie (zie hierna): bij diepte-interviews zult u waarschijnlijk andere en geringer aantal personen benaderen dan bij een schriftelijk enquête. Neem in uw overwegingen ook de volgende aspecten mee:

  • Zelfselectie en non-response bij vrijwillige deelname aan een onderzoek. De vraag is altijd: onderscheiden degenen die niet reageren zich – op de onderzochte kenmerken – van degenen die wél hebben gereageerd.
  • Een mogelijkheid om een beeld te krijgen van de non-response groep is door de reacties op datumvolgorde te sorteren; degenen die het laatst reageren kunnen qua achtergrondkenmerken en/of scores een beeld geven van de groep die in het geheel niet heeft gereageerd.
  • Mogelijke invloed van de relatie tussen onderzoeker en onderzochte. Bijvoorbeeld: de directeur die zelf interviews afneemt over de tevredenheid van zijn medewerkers.
  • Sociaal wenselijke antwoorden die een vertekend beeld geven en waar u misschien op een indirecte manier naar moet vragen.
  • De invloed van het onderzoek zelf. Soms confronteert u mensen met een vraagstuk waar ze nog nooit eerder over hebben nagedacht. Of bij een klanttevredenheidsonderzoek vraagt u bijvoorbeeld naar een aspect waar de klant nog nooit bij heeft stilgestaan. Soms zijn klanten alleen al door het onderzoek meer tevreden dan daarvoor; wat hebt u dan gemeten?
  • Is het nodig de anonimiteit van de onderzochten te waarborgen?

5. Onderzoekstrategie

Er zijn tal van manieren om onderzoek te doen. De keuze komt tot stand in samenhang met de onderzoeksvragen en de onderzoeksgroep. Om een idee te geven:

  • Bronnenonderzoek: literatuur (over ander onderzoek), databases, archieven.
  • Experiment: onderzoek naar bepaalde effecten, vaak met een onderzoeksgroep en een controlegroep.
  • Case studie: een intensief onderzoek waarbij het er vooral om gaat te begrijpen wat er zich afspeelt.
  • Observeren: onopvallend of participerend door – bedekt of onbedekt – deel te gaan uitmaken van de onderzoeksgroep. Denk ook aan observaties in chatrooms, discussiegroepen en forums op internet.
  • Interviews: open vragen, gesloten vragen, gestructureerd of ongestructureerd. De nadruk ligt meestal op begrijpen (kwalitatief onderzoek).
  • Enquête: vragenlijsten, meestal met meerkeuzevragen en enkele open vragen. De nadruk ligt vaak op het vinden van algemene cijfermatige conclusies (kwantitatief onderzoek).
  • Longitudinaal onderzoek: periodiek terugkerend onderzoek, zodat bepaalde ontwikkelingen kunnen worden gevolgd.

6. Gegevens verzamelen

Bij het verzamelen en ordenen van de gegevens zijn er verschillende hulpmiddelen beschikbaar:

  • Webbased vragenlijsten: verschillende bedrijven bieden een dienst aan om vragenlijsten geheel via het internet te laten invullen. U krijgt meteen een databestand met de resultaten.
  • Scannen van vragenlijsten: grotere hoeveelheden handmatig ingevulde vragenlijsten kunt u via speciale scanbedrijven laten verwerken (vooraf overleggen). U levert de dozen met ingevulde vragenlisten in, en krijgt een databestand terug.
  • Software als Excel en SPSS is geschikt voor het verzamelen en analyseren van gegevens. SPSS heeft uitgebreidere mogelijkheden om gegevens te bewerken en statistisch te analyseren. Excel heeft het voordeel dat vrijwel iedereen er over beschikt; u kunt draaitabellen aanbieden waarin iemand zelf selecties kan maken.

7. Analyse en rapportage

Ga terug naar de probleemstelling en de onderzoeksvragen. Dáár zoekt u de antwoorden op.

  • Weet wat u doet met statistiek. Let op statistische valkuilen.
  • Presenteer cijfermatige uitkomsten zoveel mogelijk in tabellen, niet in zinnen.
  • Gebruik diagrammen en grafieken om meer inzicht te geven.
  • Geef bij gemiddelden ook altijd de spreiding weer (standaardafwijking). Bij streefnormen kunt u ook aangeven welk percentage onder de norm zit.
  • Bij enquêteonderzoek dat u bijvoorbeeld jaarlijks herhaalt, kunt u nagaan welke vragen altijd hetzelfde scorepatroon opleveren. Daar kunt u dan wellicht met minder vragen volstaan.
  • Soms geven de uitkomsten van vragen een beeld dat niet past bij de overige uitkomsten van het onderzoek. Ga dan in ieder geval na of de vraagstelling wel klopt.

Bij elk onderzoek vindt uiteindelijk een generalisatie plaats: uit het bijzondere geval van het onderzoek worden algemene conclusie getrokken. De resultaten van het onderzoek worden weer verbreed naar de reikwijdte van de oorspronkelijke probleemstelling. Het generaliseren heeft betrekking op:

  •  De inhoud van de probleemstelling die in de onderzoeksvragen is beperkt.
  • De onderzoeksgroep die vaak kleiner is dan de totale populatie.
  • De tijd: het onderzoek vond in het verleden plaats, de conclusies worden gebruikt in de toekomst.

Des te beter het onderzoeksontwerp, des te valider en betrouwbaarder kunnen de conclusies zijn.

  • Peter (P.G.) Swanborn, Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Inleiding in ontwerpstrategieën, Meppel, Boom (standaardwerk met nadruk op onderzoeksmethoden en -technieken, minder op statistiek).
  • Social research methods.
  • Zie ook de overige onderwerpen in de Rubriek Onderzoek.

 
Reacties

Nog geen reacties.