Accreditatiekader hbo-wo

Ontwikkeling stelsel

Het stelsel van overheidsaccreditatie is in 2002 ingevoerd voor het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo) – tegelijk met de introductie van het bachelor-master stelsel (BaMa) en is verankerd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

  • Accreditatiestelsel 1.0 (m.i.v. 2002). Het beoordelingskader voor een opleiding bestaat uit zes onderwerpen onderverdeeld in 21 facetten. De zes onderwerpen zijn: Doelstellingen opleiding, Programma, Inzet van personeel, Voorzieningen, Interne kwaliteitszorg en Resultaten. Het niet slagen voor accreditatie betekent in feite het beëindigen van de opleiding.
  • Accreditatiestelsel 2.0 (m.i.v. 2011). Uitgangspunten: verminderde administratieve last, meer nadruk op inhoudelijke onderwijskwaliteit en een kwaliteitscultuur. Het wordt mogelijk bij onvoldoende beoordelingen een herstelperiode toe te kennen. Introductie van de Instellingstoets kwaliteitszorg onderwijs die een Beperkte opleidingsbeoordeling op slechts drie standaarden mogelijk maakt. Instellingen kunnen zelf kiezen of ze wel of niet willen opgaan voor de instellingstoets. Zonder het ‘keurmerk’ van de instellingstoets geldt voor opleidingen de Uitgebreide opleidingsbeoordeling met zestien standaarden. Bij de opleidingsbeoordeling wordt een steekproef van eindwerken geïntroduceerd.
  • Accreditatiestelsel 2.0 update (m.i.v. 2014). In het Beoordelingskader versie 2014 zijn aanpassingen doorgevoerd, mede naar aanleiding van de in 2013 vastgestelde wetten Kwaliteit in verscheidenheid en Versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs – ook met het doel de administratieve lasten voor instellingen (verder) te beperken. Zie ook de toelichting op de wijzigingen in de WHW. Standaard 3 van de Beperkte opleidingsbeoordeling wordt gesplitst in Standaard 3 (toetssysteem) en Standaard 4 (gerealiseerde eindkwalificaties). Het aantal standaarden bij de Uitgebreide opleidingsbeoordeling wordt teruggebracht van zestien naar elf. Tevens wordt de systematiek van visitatiegroepen (groepsgewijs visiteren) ingevoerd en start een traject voor harmonisering plaats van de titulatuur in het hbo.
  • Accreditatiestelsel 3.0 (m.i.v. 2017). Uitgangspunten voor het Beoordelingskader versie 2016 zijn lastenverlichting, meer eigenaarschap bij medewerkers en studenten en verdiend vertrouwen. De onderwijsvisie van de instelling staat meer centraal. Bij de instellingstoets is de aparte standaard voor Organisatie- en beslissingsstructuur verwerkt in de overige standaarden. Bij de opleidingsbeoordeling wordt de rol van Opleidingscommissies versterkt, in lijn met de Wet Versterking bestuurskracht.  In het accreditatieproces van opleidingen zijn verantwoorden en ontwikkelen meer gescheiden. Zie verder Belangrijke verschillen beoordelingskaders 2014-2016.

Beoordelingskader 2016

Het Beoordelingskader sluit aan bij de criteria uit de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW hoofdstuk 5a). In Nederland en Vlaanderen waarborgt de Nederlands-Vlaamse Accreditatie-organisatie (NVAO) de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs. Het kader is afgeleid van de European Standards and Guidelines (ESG) van de European Association for Quality Assurance in Higher Education (ENQA). Het stelsel gaat – vooralsnog – uit van accreditatie van opleidingen, niet van instellingen (wat bijvoorbeeld in Vlaanderen wel het geval is). Instellingen kunnen kiezen voor een instellingstoets kwaliteitszorg. Wanneer zij daarvoor zijn geslaagd, kunnen (nieuwe) opleidingen met een beperkt beoordelingskader volstaan, waarbij vooral de inhoud van het onderwijs centraal staat. Geaccrediteerde opleidingen zijn ingeschreven in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO). Er zijn specifieke kaders voor:

  • Instellingstoets kwaliteitszorg (ook aangeduid als ITK).
  • Opleidingsbeoordeling – beperkt kader (BOB).
  • Opleidingsbeoordeling – uitgebreid kader (UOB).
  • Toets nieuwe opleiding – beperkt of uitgebreid kader (TNO).

Voor de beoordeling van opleidingen bevat het kader één set standaarden voor nieuwe en bestaande opleidingen, wetenschappelijke en hoger beroepsopleidingen op associate-degree-, bachelor- en masterniveau. Hieronder worden de kaders voor de instellingstoets en de beperkte opleidingsbeoordeling samengevat. Aanbevolen wordt altijd de feitelijke tekst van het beoordelingskader te raadplegen. Het kader voor de uitgebreide opleidingsbeoordeling kan ook informatief zijn om betekenis te geven aan de eisen van de instellingstoets en de beperkte opleidingsbeoordeling.

Instellingstoets kwaliteitszorg onderwijs

De centrale vraag bij de instellingstoets is: verzekert de kwaliteitszorg de realisatie van de visie op goed onderwijs en werkt de instelling duurzaam aan ontwikkeling en verbetering? Met ‘kwaliteitszorg’ wordt zowel het systeem van interne kwaliteitszorg als de kwaliteitscultuur bedoeld. Het kader spreekt van een reflectieve cyclus die bij de instelling zichtbaar moet zijn. Een cyclus die bijdraagt aan kwaliteitsborging (beheersen van risico’s) en duurzame kwaliteitsontwikkeling. Bij deze cyclus zijn docenten, studenten en externe stakeholders betrokken. De visie op goed onderwijs wordt gedragen door docenten en studenten en ontwikkelt zich in samenspraak met het maatschappelijk veld. Bij verlenging van een instellingstoets wordt duurzame en systematische verankering van de interne kwaliteitszorg in de achterliggende jaren in de beoordeling betrokken. Het Beoordelingskader geeft vier standaarden voor de instellingstoets:

Visie en beleid
Standaard 1
De instelling beschikt over een breed gedragen onderwijsvisie en een daarbij aansluitend beleid gericht op de interne kwaliteitszorg van haar onderwijs.
> Gedeelde visie op goed onderwijs binnen de instelling
> De visie is studentgericht (‘student centred learning’, conform ESG)
> Gedragen door docenten en studenten
> Ontwikkelen in periodieke samenspraak met externe stakeholders
> Vertaald naar uitgangspunten voor kwaliteitszorg
Uitvoering
Standaard 2
De instelling verwezenlijkt de onderwijsvisie op doeltreffende wijze, blijkend uit passende beleidsacties en -processen met name op het gebied van personeel, toetsing, voorzieningen, en studenten met een functiebeperking.
> Onderwijsvisie is vertaald naar concrete beleidsacties en -processen
> Er zijn processen voor ontwerp, erkenning en borging van kwaliteit opleidingen (conform ESG)
> Werking en toepassing van deze processen is aantoonbaar op basis van track record
> Studenten en medewerkers zijn mede-eigenaar van beleid en dragen vanuit gezamenlijke visie bij aan realisatie van beleid en beoogde kwaliteitscultuur
> Uitvoering is in overeenstemming met visie: personeel, toetsing en voorzieningen bevorderen de toegankelijkheid en studeerbaarheid van het onderwijs
> Dit geldt specifiek ook voor studenten met een functiebeperking (conform de WHW)
Evaluatie en monitoring
Standaard 3
De instelling evalueert stelselmatig of zij de beoogde beleidsdoelstellingen met betrekking tot onderwijskwaliteit realiseert. Daarbij betrekt zij relevante stakeholders.
> Organiseren van effectieve feedback die realisatie beleid ondersteunt
> Passende evaluatie- en meetactiviteiten die zijn verankerd in de instelling (uniformiteit is niet noodzakelijk)
> Inzichtelijke informatie voor stellen van kwaliteitsdoelen
> Risico’s signaleren, rapporteren en opvolgen
> Systematische reflectie op effectiviteit beleidsuitvoering in alle organisatielagen en medezeggenschap
Ontwikkeling
Standaard 4
De instelling is gericht op ontwikkeling en werkt systematisch aan de verbetering van haar onderwijs.
> Feedback en reflectie op beleidsrealisatie leiden tot doelgerichte maatregelen voor versterken, verbeteren of bijstellen uitvoering
> Opvolgen verbetermaatregelen is verankerd in organisatiestructuur
> Ontwikkelbeleid stimuleert alle betrokkenen bij te dragen aan innovatie en kwaliteitsverbetering
> Interne en externe stakeholders zijn geïnformeerd over de ontwikkelingen naar aanleiding van evaluatieresultaten
> Doorlopende verbetering in aansluiting op veranderende) omstandigheden en verwachtingen studenten en werkgevers

Het beoordelingsproces wordt uitgevoerd door de NVAO en een door haar ingestelde commissie. Het onderzoek is gebaseerd op een documentenonderzoek en een visitatie (auditgesprekken op locatie). Het proces verloopt als volgt (@: opmerkelijk verschil met kader 2014, klik op ‘@‘ voor document):

  • De onderwijsinstelling dient een aanvraag in voor het verkrijgen of verlengen van het keurmerk van de instellingstoets. Bij verlenging dient de aanvraag ten minste één jaar voor het vervallen plaats te vinden. @Het is ook mogelijk als sector bestuurlijke afspraken te maken over de procesgang.
  • Voorafgaand aan het bestuurlijk overleg ontvangt de instelling een accreditatieportret dat een overzicht geeft van de uitkomsten van de accreditaties en toetsen nieuwe opleiding over de afgelopen jaren.
  • De NVAO neem initiatief voor een bestuurlijk overleg met de instelling. Doel van het overleg is kennismaking en afstemming op de specifieke wensen en omstandigheden van de instelling. Bijvoorbeeld over: organisatiestructuur, profilering, (internationale) samenstelling panel, voertaal, tijdpad, @vorm en omvang van zelfevaluatierapport, specifieke aspecten (bijzonder kenmerk) waar de instelling op wil worden beoordeeld, locatiebezoeken, @een eventuele combinatie van verkennend en verdiepend bezoek, beschikbaar te stellen materiaal. @Bij het bestuurlijk overleg worden studenten en docenten uit medezeggenschapsorganen betrokken.
  • Na het bestuurlijk overleg benoemt de NVAO het panel dat de instellingstoets uitvoert. Het panel zal een peer review uitvoeren, in die zin dat collegiale consultatie/toetsing centraal staan. De attitude en werkwijze van het panel passen bij dit uitgangspunt. Het panel bestaat, na overleg met de instelling uit maximaal vijf leden, inclusief een studentlid en wordt ondersteund door een secretaris en een procescoördinator van de NVAO. Een panellid met bestuurlijke deskundigheid treedt op als voorzitter.
  • De instelling schrijft in maximaal 50 pagina’s een zelfevaluatierapport waarin de sterke en de zwakke punten van de instelling staan beschreven. Het zelfevaluatierapport wordt ter advisering voorgelegd aan het medezeggenschapsorgaan van de instelling en het advies maakt onderdeel uit van het document. De instelling kiest het overige – bij voorkeur bestaande – materiaal dat voor het locatiebezoek ter inzage voor het panel beschikbaar is.
  • Het panel voert een een verkennend bezoek uit om zich een beeld te vormen van de instelling. Het panel spreekt onder meer met de raad van toezicht, het instellingsbestuur, het onderwijsmanagement, functionarissen kwaliteitszorg, andere staffunctionarissen, docenten en studenten uit medezeggenschapsorganen en vertegenwoordigers uit het maatschappelijk veld. Er wordt ook een open spreekuur gehouden.
  • Ten minste vier weken later legt het panel een verdiepend bezoek af voor het uitvoeren van minimaal twee audittrails. Het kan gaan om verticale audittrails (breed aandachtsgebied bij enkele opleidingen) en/of horizontale audittrails (smal aandachtsgebied bij meerdere opleidingen). @Eén verticale trail betreft een verdiepend onderzoek naar de effectiviteit van de kwaliteitszorg en het risicomanagement voor opleidingen. De beoordeling van een specifiek aspect (bijzonder kenmerk) vereist een extra trail. De auditcommissie wil met de trails een duidelijk beeld krijgen hoe de kwaliteitszorg binnen de instelling feitelijk werkt.
  • Het panel stelt vervolgens een adviesrapport op dat wordt voorgelegd aan het bestuur van de NVAO. Het panel beoordeelt elk van de vier standaarden en komt tot een eindoordeelpositief wanneer voor alle standaarden geldt ‘voldoet’, positief onder voorwaarden bij maximaal twee standaarden ‘voldoet ten dele’ (met voorwaarden), en negatief wanneer voor een of meer standaarden geldt ‘voldoet niet’ of bij drie of meer standaarden met ‘voldoet ten dele’.
  • Bij het advies tot positief onder voorwaarden geeft het panel concreet aan wat de voorwaarden zijn om te voldoen aan de standaarden. Het panel adviseert alleen tot het stellen van voorwaarden wanneer realisatie binnen maximaal twee jaar haalbaar is. De NVAO besluit over het stellen van voorwaarden. Wanneer het stellen van voorwaarden niet realistisch en haalbaar is, is het eindoordeel negatief.
  • De NVAO komt op basis van het adviesrapport tot een eigenstandig oordeel en een besluit. Bij het besluit positief onder voorwaarde(n) stelt de NVAO een of meer voorwaarden en geeft de termijn aan waarbinnen daarover moet worden gerapporteerd en wanneer de herbeoordeling plaatsvindt. De NVAO kan panelleden of vertegenwoordigers van de instelling uitnodigen. Instellingen kunnen zelf ook aangeven dat zij behoefte hebben aan een toelichting. Instellingen die de instellingstoets met voorwaardelijk positief gevolg hebben doorlopen, kunnen tijdens de geldigheidsduur gewoon de beperkte opleidingsbeoordeling toepassen.
  • Na het besluit volgt publicatie op de website van de NVAO. De erkenning van de instellingstoets is zes jaar geldig. Wanneer er voorwaarden zijn gesteld, dient daar wel binnen de gestelde termijn aan worden voldaan. De ‘voorwaardelijke’ status maakt deel uit van de periode van zes jaar. N.B. De instelling kan gedurende het gehele beoordelingstraject de aanvraag intrekken, tot aan het moment dat de NVAO een definitief besluit heeft genomen en het besluit is gepubliceerd.

Beperkte opleidingsbeoordeling

Het kader voor de opleidingsbeoordeling heeft betrekking op bekostigde en onbekostigde opleidingen in het wetenschappelijke onderwijs (wo), opleidingen in het hoger beroepsonderwijs (hbo) op bachelor- en masterniveau en associate-degreeprogramma’s (Ad-programma’s). Het beperkte kader is van toepassing wanneer de instelling beschikt over een positief of een voorwaardelijk positief besluit instellingstoets kwaliteitszorg. Bij het beoordelen van bestaande opleidingen staat de gerealiseerde kwaliteit centraal. De beoordeling komt tot stand op basis van een discussie met ‘peers’ over de inhoud en kwaliteit van de opleiding.  Met ingang van 2015 vindt de beoordeling plaats binnen visitatiegroepen die bestaan uit vergelijkbare opleidingen van verschillende instellingen. Het Beoordelingskader geeft vier standaarden voor de beperkte opleidingsbeoordeling.

Beoogde
leeresultaten

Standaard 1
De beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.
> Aantoonbaar niveau (associate degree, bachelor, master) conform Nederlands kwalificatieraamwerk (zie toelichting niveaus NLQF) en de oriëntatie (hbo of wo)
> Aansluiting bij actuele eisen uit het regionale, het nationale en het internationale perspectief vanuit beroepenveld en vakgebied
> Voor zover van toepassing conform relevante wet- en regelgeving
Onderwijs-
leeromgeving
Standaard 2
Het programma, de onderwijsleeromgeving en de kwaliteit van het docententeam maken het voor de instromende studenten mogelijk de beoogde leerresultaten te realiseren.
> De beoogde leerresultaten zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma
> Hierbij wordt rekening gehouden met de diversiteit van de toegelaten studenten
> De docenten zijn zowel inhoudelijk als didactisch voldoende deskundig om de opleiding te verzorgen en geven begeleiding
> De onderwijsleeromgeving bevordert dat studenten op actieve wijze deelnemen aan de vormgeving van het eigen leerproces (student-centred)
> Opleidingsspecifieke voorzieningen worden beoordeeld, tenzij het gaat om instellingsbrede voorzieningen waarover bij de instellingstoets al is gerapporteerd
Toetsen
Standaard 3
De opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing.
> De beoordeling is valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk
> De eisen zijn helder voor studenten
> De kwaliteit van de tentaminering en examinering wordt voldoende gewaarborgd en voldoet aan de wettelijke deugdelijkheidsvereisten
> De toetsen ondersteunen het eigen leerproces van de student
Gerealiseerde
leeresultaten
Standaard 4
De opleiding toont aan dat de beoogde leerresultaten zijn gerealiseerd.
> Blijkt uit uitkomsten van toetsen, eindwerken en hoe afgestudeerden in de praktijk of in een vervolgopleiding functioneren
> Beschrijven hoe de realisatie van het niveau wordt getoetst, bijvoorbeeld aan de hand van diverse producten of proeven, het ‘eindwerk’
> Een niet limitatieve opsomming van ‘eindwerken: de eindscriptie, een portfolio, een beroepsproduct, een (reeks van) tentamen(s), een artikel of een artistieke prestatie of een combinatie hiervan
> Het panel beoordeelt voorafgaand aan het locatiebezoek via een representatieve steekproef ten minste 15 eindwerken van de opleiding

De beoordeling wordt gebaseerd op een documentenonderzoek en een visitatie. Het proces verloopt als volgt (@: opmerkelijk verschil met kader 2014, klik op ‘@‘ voor document):

  • Bestaande opleidingen zijn op voordracht van de instelling door de NVAO ingedeeld in visitatiegroepen* waarvoor een inleverdatum van de accreditatieaanvraag is vastgesteld. De NVAO handelt aanvragen en wijzigingen eenmaal per jaar af (aprilronde). @Opleidingen kunnen als sector voorafgaand aan het accreditatieproces met de NVAO spreken over bijvoorbeeld vergelijkend beoordelen in de visitatiegroep, het accreditatiekader, de inhoudelijke thematiek en de werkafspraken om het accreditatieproces goed te laten verlopen.
  • Instellingen die voor de betreffende opleiding een visitatiegroep vormen, stellen een onafhankelijk panel samen en dragen dit ter instemming voor aan de NVAO. Het panel bestaat uit ten minste vier leden waaronder in ieder geval twee gezaghebbende domeindeskundigen en een student. De panelvoorzitter is door de NVAO getraind. Het panel wordt bijgestaan door een secretaris die ook door de NVAO is getraind en die geen lid is van het panel.
  • Instellingen kunnen ook een van de bestaande evaluatieorganisaties opdracht geven om het panel samen te stellen. In dat geval moet het panel eveneens ter instemming worden voorgedragen aan de NVAO. Wanneer de voordracht gebeurt door het evaluatiebureau, dient het daartoe schriftelijk gemachtigd te zijn door de instelling(en).
  • De opleiding schrijft een zelfevaluatierapport van maximaal 15 pagina’s waarin de sterke en zwakke punten van de opleiding worden beschreven. De standaarden uit het beoordelingskader zijn herleidbaar, bijvoorbeeld door een toelichting. @De zelfevaluatie is in principe vormvrij. Met het panel kunnen afspraken worden gemaakt over de vorm en inhoud. @Er kan ook gebruik worden gemaakt van bestaande evaluatiedocumenten. @Onderdeel van de zelfevaluatie is een eigen hoofdstuk van studenten en/of advies van de opleidingscommissie. De opleiding voegt bij de zelfevaluatie een beperkt aantal bijlagen over de opzet of inhoud van het programma, de samenstelling van het docententeam en de onderwijs- en examenregeling.
  • Opleidingen in het hoger beroepsonderwijs die willen overgaan tot een andere toevoeging aan de graad* (titulatuur) dienen dat te motiveren. De NVAO zal de voorgestelde toevoeging bij het behandelen van de aanvraag toetsen op de internationale herkenbaarheid aan de hand van een referentielijst.
  • Het locatiebezoek bestaat uit @twee delen. Het eerste deel betreft de beoordeling voor accreditatie en verbetering. De opleiding doet een programmavoorstel voor het locatiebezoek, inclusief gespreksvolgorde, gesprekstypen, personen en duur. In de regel zijn vertegenwoordigd: opleidingsmanagement, examencommissie, opleidingscommissie, docenten, studenten, alumni, vertegenwoordigers van het beroepenveld. @Het tweede deel van het bezoek is een ontwikkelgesprek met het panel waarin mogelijke verbeteringen vanuit een ontwikkelperspectief aan de orde komen.
  • Het panel stelt een adviesrapport op voor de NVAO. Hierin staan de bevindingen, de toegekende oordelen en aanbevelingen tot verbetering. De resultaten van het ontwikkelgesprek worden hierin niet opgenomen (zie hierna). In het adviesrapport wordt elk van de vier standaarden beoordeeld. Het eindoordeel is excellent/goed wanneer ten minste twee standaarden ‘excellent’/’goed’ zijn (waaronder standaard 4) en de overige ten minste ‘voldoende’. Het eindoordeel is voldoende wanneer minimaal twee standaarden ‘voldoende’ zijn (waaronder standaard 1) en herstel van de ‘onvoldoende’ standaarden binnen twee jaar haalbaar is. Het eindoordeel is onvoldoende wanneer standaard 1 ‘onvoldoende’ is of wanneer een of twee standaarden ‘onvoldoende’ zijn en herstel binnen twee jaar niet haalbaar is of wanneer drie of meer standaarden ‘onvoldoende’ zijn. Zie ook het schema hieronder.
  • Bij herstel geeft het panel concreet aan wat de voorwaarden zijn om te voldoen aan de standaarden. Het panel adviseert alleen tot het stellen van voorwaarden wanneer realisatie binnen maximaal twee jaar haalbaar is. De NVAO besluit uiteindelijk over het stellen van voorwaarden.
  • De instelling benadert de NVAO met het adviesrapport voor het aanvragen van heraccreditatie. Wanneer het panel adviseert tot het toekennen van een herstelperiode, voegt de opleiding een herstelplan bij de aanvraag en @het advies van de opleidingscommissie daarover. De NVAO betrekt het herstelplan bij het besluit tot het verlengen van de lopende accreditatietermijn en bij het bepalen van de termijn waarbinnen moet worden aangetoond dat herstel is gerealiseerd. In het laatste geval vindt binnen maximaal twee jaar een aanvullende beoordeling plaats. Dit wordt vastgelegd in het accredidatiebesluit.
  • De NVAO publiceert besluit en adviesrapport op de website van de NVAO. De accreditatie is zes jaar geldig. Wanneer er voorwaarden zijn gesteld, dient daar wel binnen de gestelde termijn aan worden voldaan. De ‘voorwaardelijke’ status maakt deel uit van de periode van zes jaar. N.B. De instelling kan gedurende het gehele beoordelingstraject de aanvraag intrekken, tot aan het moment dat de NVAO een definitief besluit heeft genomen en het besluit is gepubliceerd.
  • @De instelling publiceert binnen een redelijke termijn na het accreditatiebesluit van de NVAO de conclusies die zijn verbonden aan het ontwikkelgesprek met het panel.

* Het werken met visitatiegroepen wordt ook wel aangeduid als ‘clustergewijs’ accrediteren. Feitelijk losstaand van clustergewijze accreditatie en visitatiegroepen is het begrip ‘clusters’ of ‘clusterindeling’. De indeling in clusters hangt namelijk samen met de invoering van nieuwe titulatuur in het hbo per 1 januari 2014, met name de graadtoevoeging “of Arts” en “of Science” [zie ook Weblog Hobéon 30-01-2014]. De nieuwe graadtoevoeging wordt aangevraagd bij accreditatie óf wordt (eerder) geëffectueerd wanneer 70% van de opleidingen in het cluster de nieuwe graadtoevoeging voert. De regeling geldt niet met terugwerkende kracht, met als uitzondering de afgestudeerde die een diploma ontvangt in het studiejaar waarin de titel wordt aangepast: hij/zij kan de instelling vragen het oude diploma in te wisselen voor een nieuw diploma/getuigschrift met de nieuwe titel of de examencommissie verzoeken nog niet tot uitreiking van het diploma/getuigschrift over te gaan. Zie ook: NVAO-site.

Beslisregels bij de beperkte opleidingsbeoordeling: het eindoordeel hangt af van de scores op de vier standaarden

Onderwijs.Pro verzorgt samen met 2Reflect een driedaagse Basisleergang onderwijskwaliteit hbo. In de leergang verwerf je de basiscompetenties die nodig zijn om zelf een effectieve bijdrage te leveren aan de kwaliteit van het onderwijs.

Naar de leergang

 
Reacties

Nog geen reacties.